Kom met verhalen ...                        (sorry, Dutch only)


Over de familie, zelfs over verre familie, bestaan verhalen. We hebben zelfs de hand weten te leggen op een wetenschàppelijk verhaal.

Kaat Mossel: helleveeg of heldin? De beeldvorming van Rotterdams bekendste mosselvrouw tussen 1784 en nu. Doctoraalscriptie Charlotte van Genderen, 2002-2003, Universiteit van Amsterdam. 
Kees van Baardewijk (A1.8.2) nog immer aan het spoorzoeken naar onze vermaarde voorouder heeft wederom resultaat geboekt. Wij danken de auteur voor haar zeer welwillende medewerking. 

Herinneringen aan het bombardement van Rotterdam. Kees van Baardewijk (A1.8.2) schreef dit verhaal vanuit het perspectief van het 6-jarige jongetje dat hij toen was. Het werd in 1996 gepubliceerd in het weekblad Terdege. De namen in het verhaal zijn niet de echte namen.

Als klein jongetje was ik geen held. Veel dingen boezemden mij vrees in. Ook opa moet dat gemerkt hebben. Een advies van zijn kant, dat ik me nog levendig herinner, maakt dat duidelijk, misschien.

Een heel oude brief, van mijn opa. Die brief is gericht aan z' n dochter en schoonzoon en gedateerd 19 november 1938. Een van beide is jarig en opa schrijft. Door Kees van Baardewijk (A1.8.2), hij schrijft over opa en opoe Adrianus van Baardewijk en Johanna Wareman, onze stamouders.

Aantekeningen bij en rond het overlijden van Adrianus van Baardewijk, overleden op 14 mei 1940 en opgetekend door zijn jongste zoon Gerard van Baardewijk.

Het oude noorden in fragmenten van Kees van Baardewijk (A1.8.2) is een gedeelte uit afl.1 van ,, Het Oude Noorden in Fragmenten", verschijnend in het blad ONS ROTTERDAM. Kees is hier een jaar of vier, vijf. Het is vrijdagmorgen, zijn moeder (tante Sjaan) doet de kamer.

Het verhaal dat wij meedragen. Annie van Baardewijk- van Veen  (A1.5.3v) over Het Verhaal.

Willie en Wollie  Joop van Baardewijk (A1.5.3). Een kerstverhaal om voor te lezen aan de (klein)kinderen.

Over Kaat Mossel. Jan van Baardewijk (A1.2.2) plaatst(e) in het jubileumnummer van het NGV blad 'Amersfoort en omstreken' van september 2001 een artikeltje over Kaat Mossel.

Dagboeken in de familie. Hugo van Baardewijk (A1.5.2) verhaalt van twee dagboeken in de familie.

 

Beroepsadvies

Als klein jongetje was ik geen held. Veel dingen boezemden mij vrees in. Ook opa moet dat gemerkt hebben. Een advies van zijn kant, dat ik me nog levendig herinner, maakt dat duidelijk, misschien.

Het is weer zondagmorgen. En dat betekent: op bezoek bij opa in de Bergstraat. Een wandeling van jewelste. Aan de lange Noordmolenstraat en Zwart Janstraat lijkt geen einde te komen. Dat geeft niet. Wandelen tussen je vader en moeder in is veilig. Bovendien zijn er heel wat attracties onderweg: de verlokkende vogelkooienzaak van Dick Kooren en de winkel met electrische treinen.

Maar al kijkend houd ik de handen van mijn vader en moeder stevig vast. Zus Annie heeft daar wat minder behoefte aan. 
Bij opa is het fijn. Ik ken hem goed. Soms komt hij je halen voor een wandeling. Ook Aad van oom Jo haalt hij op. Je kreeg ook wel eens wat van hem. Ik herinner me een vliegtuigje dat je kon afschieten .....

Opa is een soort patriarch - maar van het bescheiden soort. Een vriendelijk man. "Een Israëliet in welke geen bedrog was", zal een dominee hem later typeren. Bij opa is het fijn. Er is speelgoed en meestal word je met rust gelaten. Het is er druk: ooms, tantes, neefjes, nichtjes.

Het is vol in de kamer. Opa domineert. Het is of hij de touwtjes in handen heeft, of hij van een centraal punt uit mensen het woord geeft en gesprekken in een bepaalde richting stuurt. Toch zit hij zomaar tussen de anderen in...

Merkwaardig... 't is al 50 jaar geleden, toch kan ik me zijn vriendelijk, goedig gezicht nog herinneren. Een fijne man. Toch had hij, als wij allen, zijn eigenaardigheden.
Zo trok hij me eens op zijn knie en begon me te ondervragen over m'n toekomstplannen. Dat deden ouderen graag: kleine jongetjes en meisjes consulteren over hun beroepskeuze. Een toekomstige carriëre hield me wel bezig: tramconducteur, dirigent, boer - dat soort beroepen trok me wel. Toch stemde opa's vraag me kregelig. Hij trok me uit mijn spel, vervelend, maar nog vervelender waren die half-geamuseerde blikken van ooms en tantes.

Wat moest ik zeggen? Ik reageerde niet erg. Opa gaf het niet op en bood mij een staalkaart van in zijn ogen aantrekkelijke beroepen. Ik vond er niets bij. Tenslotte strandden we bij de functie van generaal. Hoewel hijzelf een vredelievend mens was en ik een bij uitstek vreesachtig ventje, scheen hij het niet ongerijmd te vinden mij met die hoge waardigheid bekleed te zien. Zijn argumenten lagen voornamelijk in het materiële vlak. De honorering waarop ik aanspraak zou mogen maken zou niet alleen mijzelf maar ook mijn ouders in staat stellen een leven vol goede sier te leiden. Mijn vader zou terstond zijn dagelijkse broodwinning kunnen beëindigen om zich met een grote sigaar voor het venster te kunnen installeren, bij voorbeeld. Maar niet alleen een geldelijke beloning, ook een blijk van waardering in gans andere vorm stond mij te wachten. Als generaal mocht je, volgens opa, na een week vol militaire inspanningen een zak vol gesneuvelde soldaten mee naar huis nemen.

Hoewel het mij in het algemeen aantrekkelijk leek iets van de dagelijkse beroepsinzet in dit huiselijke kring te tonen kwam mij dit aspect van het generaalsberoep weinig aantrekkelijk voor. Sterker, de gedachte eraan vervulde mij met afgrijzen. Ik begreep niet dat juist die goedige opa mij een carriere met zulke afschrikwekkende kanten aanbeval. Het gelach om mij heen had me duidelijk moeten maken dat opa een grapje maakte.

Ik had het niet begrepen. In verwarring en volmaakt onbegrip omtrent volwassenen glipte ik weg.

Opa veranderde voor mij niet. Maar zijn zak vol gesneuvelde militairen bleef mij verontrusten. Gesneuveld, dood - geladen woorden, onbegrepen, die iets dreigends hadden.

Kort daarna werd de dood concreter. Opa kwam om het leven. Jammer het was zo'n fijne man. Ik zou hem missen, een beetje. Maar werkelijk schokkend was de gezichtsuitdrukking van mijn vader, na het horen van de doodstijding en schokkend waren zijn tranen. Wat moest dood erg zijn dat die een grote sterke vader met een zware stem en beschermende handen zo ontredderde.

Verontrust vroeg ik me af of ik opa's advies wel moest opvolgen. Wat een vreselijk beroep moest het zijn, generaal. 't Had met dat erge te maken.

Ach, ik was maar een klein jongetje. En bovendien erg vreesachtig.

Kees van Baardewijk (A1.8.2), 1991

 

 

Dankbare mensenkinderen!

Voor me ligt een brief. Een heel oude. Van m' n opa. Die brief is gericht aan z' n dochter en schoonzoon en gedateerd 19 november 1938. Een van beide is jarig en opa schrijft:

,,… De Heere schonk zoo onnoemlijk veel dat gij daar bij vernieuwing dank-
baar voor mag zijn; en daar elks dankbaarheid nog al eens inzinkt mogen
wij dat elkander wel herinneren: Dat het jaar dat gij weer intreedt ook een
rijk gezegend mag zijn, dat alles biddend en dankend mag doorleefd
worden en Hij wie ons het leven geeft bij den voort duur daarin geprezen
mag worden."

Opa was vader van en vechter voor een groot gezin in tijden waarin nogal eens sprake was van armoe en soberheid. Een nuchtere en ernstige man mèt humor. En in alles zag hij de hand van God, die zich opende… en soms sloot.
Zonder overdreven te doen stak hij zijn dankbaarheid niet onder stoelen of banken.

En dan opoe. Over haar moet ik wat meer vertellen. Ze werd vierenzestig jaar en was een overlevende. Elf broertjes en zusjes heeft ze overleefd. De oudste daarvan werd tien, dat was Johannes Cornelis, verschillende andere beleefden maar enkele treurige maanden. Johanna, twee, Leendert drie.
En dan had je nog twee keer Johannes Cornelis en nog twee keer Cornelis, en nog Hendrik Cornelis en Leendert, twee keer Elisabeth en Cornelis. Allemaal stierven ze een vroegtijdige dood.
(zie ook het overzichtje aan het einde van dit verhaal).

Niet iedereen had levenskansen, als je arm was en in de negentiende eeuw in een stad als Rotterdam leefde. Je kon toch niet zonder vocht en drinken maar ,,…Drinkwater? Je reinste riooldrab was het wat de Rotterdammers …tot zich namen", staat in ,,Rotterdam gefotografeerd in de 19e eeuw". In mei 1866 is er een algemene kennisgeving van burgemeester en wethouders van Rotterdam: ,,De cholera verbreidt zich, zoo niet alleen, dan toch zonder twijfel ook door een eigenaardige smetstof welke zich ontwikkelt in de uitwerpselen der lijders. Men kan veel doen om zich tegen nadeeligen invloed te beveiligen" - waarna de aanbeveling volgt om die stoffen onschadelijk te maken welke door cholera-lijders worden ontlast. Niet zo eenvoudig voor wie toevallig in de buurt van een rioolachtig binnenwatertje woonde!…"

Hard sloeg de ziekte toe in het gezin van opoe. Kind na kind na kind na kind werd naar het graf gedragen. Door ouders die met stomheid geslagen waren. Als je erover gaat nadenken, blijven je ogen niet droog.
Opoe liep met een pak herinneringen aan een jeugd vol droefenis op haar rug, ze had de zorg voor een groot gezin en sukkelde met de gezondheid. Evengoed zong ze, vrome liederen, gezellige kinderliedjes en het liefst met een zo groot mogelijk stel kinderen en kleinkinderen.
Een dankbaar mens…opoe.

Wij, de kleinkinderen van opa en opoe, kennen dat soort leed en dat soort zorgen niet. Leed is er natuurlijk altijd, maar 't is anders en gelukkig zelden van die omvang.
De meesten van ons ontbreekt het materieel aan niets. Maar spontaan zingen… dat doen we weinig of niet. En de hand van God zien in alle dingen?
,,God die alles maakte", hoorde ik kinderen pas zingen. Dat is mooi om te horen in een tijd van ,,we maken alles zelf."
Af en toe kijk je wat kritisch naar jezelf. Ik zie dan een klein mannetje dat, toch wel, omhoog kijkt naar de hand van God. En die hand geeft maar, geeft maar, mild en overvloedig. Want krenterig is God bepaald niet. En ik blijf maar kijken en het geven gaat maar door.
Het is genade, dat weet ik best, dat is me met de paplepel ingegoten. En toch… ik kijk wel omhoog maar kijk niet altijd op van alles wat ik zonder onderbreking krijg. En ik betrap mezelf en ook anderen er meermalen op dat we vragen en krijgen en vergeten te danken. Ook bij tastbare en zichtbare gebedsverhoring.

Twee generaties geleden: opa en opoe, dankbare mensenkinderen, blij met alles en geduldig in tegenspoed. Van de overvloed en gigantische vooruitgang die wij beleven hebben ze niets geweten.
Misschien gaan wij erop vooruit als we eens wat meer achteromkijken, naar die mensen van toen. Er waren vaak karige jaren, waarin hard gewerkt werd en weinig verdiend. En toch: ,,de Heere schonk ons zo onnoemlijk veel…" schreef opa.

Kees van Baardewijk (A1.8.2), juli 2004

"Elf broertjes en zusjes heeft ze overleefd"

Datum geb:

Voornamen:

Datum overlijden:

Leeftijd:

18-03-1852

Johannes Cornelis

27-05-1855

3 jaar 4 mnd.

14-08-1854

Cornelis

14-06-1855

10 mnd.

26-03-1856

Johannes Cornelis

09-09-1859

3 jaar 5 mnd.

22-02-1858

Hendrik Cornelis

09-07-1858

4 mnd.

25-08-1859

Leendert

06-09-1860

1 jaar

20-10-1860

Johannes Cornelis

31-01-1871

10 jaar 3 mnd.

19-11-1862

Johanna

20-01-1863

2 mnd.

21-11-1863

Leendert

13-03-1864

3 mnd.

10-11-1864

Elisabeth

22-02-1871

6 jaar 3 mnd.

21-12-1866

Cornelis

02-03-1871

4 jaar 2 mnd.

04-01-1870

Johanna

18-05-1934

64 jaar 4 mnd.

02-09-1872

Elisabeth

09-11-1874

2 jaar 2 mnd.

 

 

 

 

 

Gerard van Baardewijk (A1.12)Aantekeningen bij en om het overlijden van Adrianus van Baardewijk, overleden op 14 mei 1940 en opgetekend door zijn jongste zoon Gerard van Baardewijk als ooggetuige van de gruwelijke daad gepleegd door één der lafhartigste en grootste misdadigers aller tijden, de massa-moordenaar en sadist Adolf Hitler.

Toen op 10 mei 1940 in de vroege morgen Nederland, en niet in het minst Rotterdam, opgeschrikt werd door het zware geronk van de overvliegende Duitse bommenwerpers en gevechtsvliegtuigen was niemand er zich nog van bewust wat er op dat moment precies gebeurde en wat ons te wachten stond. Zelf was ik 's morgens omstreeks 5 uur op de fiets gestapt en, aangezien het geluid van inslaande bommen uit de richting van de Maas kwam, naar de heuvel in het Rotterdamse park gereden.

Zware luchtgevechten vonden er plaats in de richting en boven het vliegveld Waalhaven en ook werden toen al de Maasbruggen onder vuur genomen. Het leek mij verstandiger om na korte tijd terug huiswaarts te keren waar men zich al ongerust maakte over mijn afwezigheid.

Zo begonnen de eerste spannende dagen, dagen van angst, van onzekerheid en in het begin nog van hoop, hoop op een spoedige beëindiging van de gewelddadigheden en op een min of meer bevredigende oplossing. Velen zagen in de eerste oorlogsdagen wel het gevaar van de overvliegende monsters maar beseften toch niet dat Rotterdam aan de vooravond stond van de grootste ramp uit z'n geschiedenis.

De 12e en de 13e mei (1e en 2e Pinksterdag) werden regelmatig onderbroken door luchtalarm. Aangeraden werd, zover er geen schuilkelder in de directe omgeving was, dekking te zoeken 'tegen scherven' in het z.g.n. 'trapgat'. Zo ook bij ons in de Bergstraat 59. Enkele koffers waren gepakt en beneden in de gang geplaatst voor het geval wij zouden moeten vluchten. Vader van Baardewijk had ook nog een tas ingepakt met wat persoonlijke eigendommen, een tas die hij als regel bij luchtalarm in zijn hand had.

Toen brak dinsdag de 14e mei aan. Op die dag waren in huis vader van Baardewijk, broer Cor, tante Bep en mijn verloofde (later tante Jo) met haar jongere zuster. Beiden hadden hun intrek in ons huis genomen omdat het stadsdeel waar zij woonden geëvacueerd moest worden (omgeving Centraal Station). Het was tegen één uur, we zouden juist gaan eten. Vader had gebeden, de Here om uitkomst gesmeekt, gebeden voor onze uitgeweken regering in Londen, voor de koningin en haar huis en voor allen die reeds aan de lijve door het oorlogsgeweld waren getroffen. Even nadat hij het amen had uitgesproken ging het luchtalarm! Ik hoor het vader nog zeggen; gauw naar de trap. Enkele van ons gingen wat treden naar beneden, anderen stonden bovenaan de trap. Vader stond met één been in de gang en met één been op de bovenste traptrede. En toen, toen kwamen de bommenwerpers over, heel laag, met zwaar geronk. We hoorden bommen inslaan, ver weg en dichter bij. Zware dreunen waardoor het huis stond te trillen. En toen .... een vreselijke slag. Een brisant-bom was ingeslagen. Een afgrijselijk geschreeuw. Vader lag met een verbrijzeld hoofd over mij heen. Hij was op slag dood. Wij anderen konden praktisch niets zien vanwege de enorme stofpuin-wolken om ons heen.

Eerst trachten wij naar boven te komen om via het dak te kunnen vluchten maar halverwege was de trap naar boven weggeslagen. Toen weer naar beneden, waar enigszins een lichte vlek te zien was, n.m.l. de voordeur-opening. We vluchten in paniek, voor een deel gescheiden, het huis uit. De twee geëvacueerde zussen en ik, richting Bergweg. De Bergstraat stond voor het grootste deel in lichte-laaie. Er was als het ware gestrooid met brandbommen. Slechts één brisant-bom was geworpen en deze had ons huis en het huis daarnaast voor tweederde verwoest. Twee panden, zeven doden, waaronder vader en zes buren.

Op de Bergweg gekomen gingen we met z'n drieën vlak langs de huizen richting Hillegersberg. Bij de Bloklandstraat aangekomen kwamen van de richting Hillegersberg met grote snelheid een aantal bommenwerpers heel laag onze richting uit. We vluchten een sigarenwinkel in waar enkele mensen languit op de grond lagen met hun handen boven hun hoofd om zich enigszins te beschermen. We waren nog geen minuut binnen of een donderende slag deed het huis op z'n fundament schudden. Schuin tegenover de winkel, een 15 meter er vandaan, was een voltreffer geplaatst en had het huis in een puinhoop veranderd en een aantal mensen het leven ontnomen. Het bombardement ging door.

Toen we de winkel weer uitvluchten stopte er een melkauto voor ons die ons naar het politiepost Hillegersberg, aan de Straatweg bracht. Wij werden direct opgevangen door enkele politie-mensen die ons wat te drinken gaven en kleine schaafwonden verbonden. Na circa een half uur was het bombardement blijkbaar beëindigd. Het werd rustiger in de lucht. Wij zijn daarna nog wat verder gevlucht en vonden in de loop van de middag onderdak bij de familie Hobbezak aan de Ommoordseweg te Terbregge (Hobbezak was getrouwd met een dochter van oom Frans, een broer van vader van Baardewijk) waar inmiddels nog enkele vluchtelingen gastvrij waren opgenomen. De andere dag ben ik alleen naar de 'havenstad in vuur' teruggegaan en polshoogte genomen bij het, voor het grootste gedeelte, verwoeste huis in de Bergstraat. Daar vernam ik van iemand dat vader van Baardewijk door een hulpgroep van de luchtbeschermingsdienst naar het lijkenhuis van het nabijgelegen ziekenhuis 'Eudokia' was gebracht. Aangezien mijn 'nevenberoep' (ik was in die tijd verzekeringsagent) begrafenisondernemer was, heb ik mij met een vriend-collega die morgen naar het genoemde ziekenhuis begeven als eerste fase van voorbereiding voor de begrafenis. In het ziekenhuis werd ons medegedeeld dat wij vóór 's middags twee uur de overledene moesten laten afhalen, dit was een order van de bezetter werd er bij gezegd. Onze taak was toen om voor een kist te zorgen ‚n voor vervoer naar een rouwkamer. Helaas bleek dat eerste niet zo eenvoudig te zijn. Door de enorme brand die nog steeds zijn verwoestende werk in de stad en de omringende wijken voortzette was de kistenmakerij (die overigens ook geheel in de vlammen was opgegaan) niet bereikbaar. Onze vaste leverancier was dus uitgeschakeld en de andere kistenmakers die niet getroffen waren leverden niet aan onbekenden. De tijd ging nijpen.

In Hillegersberg vonden wij een timmerman die in recordtijd een eenvoudige kist maakte. Inmiddels hadden wij een carrier weten te bemachtigen om de kist naar Eudokia te vervoeren. Even over tweëen arriveerden we daar en kregen te horen dat wij te laat waren. Vader was reeds met meerdere slachtoffers naar de kapel op de begraafplaats Crooswijk gebracht om daar, wat later bleek, met vele andere slachtoffers in een massagraf begraven te worden. Wij reden nu zo spoedig mogelijk met de kist naar Crooswijk waar wij, toen we de begraafplaats wilden oprijden, werden tegengehouden door enkele duitse soldaten. De begraafplaats was niet toegankelijk voor burgers, was hun boodschap.

Door bemiddeling van de direkteur van Crooswijk, die wij persoonlijk kenden, kregen wij bij uitzondering uiteindelijk toestemming om naar de kapel te rijden. Daar is vader van Baardewijk gekist, onder toeziend oog van enkele duitse soldaten. Geschokt door hetgeen wij in de kapel gezien hadden verlieten wij enige tijd daarna de begraafplaats. (P.S. Vader werd met zijn kleren aan gekist en er mocht niets uit zijn zakken gehaald worden) Enkele dagen daarna vond de begrafenis plaats in een eigen gehuurd graf (dus niet in een massagraf) in strikt besloten kring, belangstellenden werden niet toegelaten, alleen de predikant ds. Tazelaar onze wijk-predikant, die enige woorden heeft gesproken, de geloofsbelijdenis heeft gelezen en het Onze Vader gebeden.

Dit is het trieste verhaal rond het overlijden van vader opa Adrianus van Baardewijk. In hetzelfde jaar verscheen er een boek van ds.Buffinga, toen ook predikant in Rotterdam-Centrum, geheten 'Een Koopmanstad in vuur'. Ds.Buffinga beschrijft daarin op zijn wijze de vijf oorlogsdagen. Bij de beschrijving van de vijfde oorlogsdag staat de zinsnede:

"Eén onzer ouderlingen is omgekomen, een Nathanaël, in wien geen bedrog is, een stille, maar trouwe en oprechte broeder. "De mortibus nil bene, over de doden niets dan goeds". Maar van deze trouwe broeder is het gegeven getuigenis geen franje en geen frase. Hij spreekt nog tot ons, nadat hij gestorven is". En ook tot ons die hier als zijn nageslacht bijeen zijn!

Overschie 1988, Gerard. H. van Baardewijk (A1.12)

Eerder gepubliceerd in de Familiekrant nr.1 uitgegeven dd. 9-9-1989 tijdens de eerste familiereünie.

 

 

HET OUDE NOORDEN IN FRAGMENTEN

Het onderstaande is een gedeelte uit afl.1 van ,, Het Oude Noorden in Fragmenten", verschijnend in ONS ROTTERDAM. Kees is een jaar of vier, vijf. Het is vrijdagmorgen, zijn moeder (tante Sjaan) doet de kamer.

Ik hing maar zo' n beetje rond en keek naar m' n moeder. Ze liep voortdurend heen en weer naar een stoel of kastje en terug. Ik had best lekker dichtbij haar willen staan met dat blik Peli. Alleen, ik mocht er niet meer aankomen. De vorige keer, ook op vrijdag, had ik het over het tafelzeiltje gerold om het open te krijgen. Het schuifje was afgebroken en het zeil gescheurd. ,, Heb nog één keer het hart", had ze gedreigd. Ik had haar willen helpen.
De deuren van de waranda en de tuin stonden wijd open maar veel geluid kwam er niet binnen. Een paar duiven koerden aan een stuk door. ' t Klonk veilig en ook een beetje verdrietig.
Onder de waranda stonden de konijnenhokken. De moeder zat stil in een hoek. ,,Vandaag of morgen komen de jonkies" , had mijn vader gezegd.
Onder het afdak van de plaats bleef ik staan. Hier deed m' n moeder de was, lekker beschut tegen de zon.
Ze hield vaak even op, de laatste tijd. Dan zuchtte ze, hield haar ene hand op de witte wasplank en de andere tegen haar rug. ,, Wat is een mens als-ie oud wordt", had ze gezegd. Gelukkig lachte ze.
Ik draaide stiekem m'n zakdoek door de wringer en liep maar weer naar boven.
,,Wat zal ik zingen, jij mag het zeggen?" Ik zei niks. Altijd dat zingen. Ze zongen haast net zoveel als ze praatten, m' n vader en moeder. Misschien was ik wel zingend verwekt. Dacht ik later.
Ik had het padvinderslied dat ze net keihard gezongen had nog in m' n oren. ,, In negentien-drie-zeven, dan zul je wat beleven, dan komt de Jamboree in Nederland." En het refrein: ,, Jamboree, Jamboree, j.a.m.b.o.r.e.e, jamboree, ree ree. Jamboree, jamboree, wij zijn verkenners van B.P"
,,Als het maar niet verdrietig is", zei ik toch maar, ,,en niet zo hard." Ze maakte me af en toe aan het huilen. Gisteren nog. In een arme straat lag een zielig jongetje naar buiten te kijken. Z' n vriendjes tikten tegen de ruit. ,, Kom op, joh, we hebben een nieuwe bal, een echte." Maar het jongetje was zomaar lam geworden en kon niet meer lopen. Nooit meer. Ik kon wel janken en deed het ook, op de wc.
Ik kreeg ook tranen van: ,, Er was eens een haveloos ventje, dat vroeg aan zijn moeder een broek. Maar zijn moeder die had er geen centje en zijn vader was wekenlang zoek." En een keer heeft moeder wel wat geld, koopt een broek en dan: ,,Ach, moeder, ach, geef me geen standje, er zit in mijn broekje een scheur. De jongens op school roepen Jantje, je billetjes steken er deur."
Ik had nog gevraagd naar die vader. ,,Ja, die kwam niet meer thuis". ,,Zou pa dat ook kunnen doen?" ,,Welnee knul, die houdt teveel van ons."

Kees van Baardewijk (A1.8.2)

 

HET VERHAAL DAT WIJ MEEDRAGEN. 

Annie van Baardewijk - van VeenDit is een zin die mij is bijgebleven uit de kerkdienst  (kerk van Annie in Terneuzen, JvB) van 28 okt.j.l., waarin ds. Smeets met zijn gemeente  voor het eerst "onder ons" was, zoals hij dit uitdrukte . Ik weet niet meer of deze zin in de preek ter sprake kwam of in het gebed.

Het woord "verhaal" heeft meerdere betekenissen, zoals: vertelsel, verslag, schadeloosstelling, mogelijkheid tot schadeloosstelling, herstel van krachten (uit het woordenboek "gehaald"). "Verhalen" en ook "halen" zijn nogal algemene woorden, die te pas en te onpas gebruikt worden, bijv. "wat je ver haalt, is lekker" (slaat toch ook nergens op). Of: er is niets te halen, wat nogal een negatieve bijklank heeft. Het woord verhaal is ons echter zo bekend, dat wij direct denken aan een vertelling, iets dat geschreven is of aan ons mondeling is doorgegeven of overgeleverd, zoals vertellingen uit de oudheid, die van mond tot mond zijn gegaan. Speciaal denken wij aan de Bijbel, het levende "Woord". 
De mogelijkheid tot communiceren door het woord is alleen aan de mens gegeven. God heeft ons geschapen met deze eigenschap, in tegenstelling tot de dieren die weer op een heel andere manier communiceren. God heeft de mens geschapen en hem bijna goddelijk gemaakt, zoals in één der psalmen wordt beschreven (Psalm 8), met ziel en geest, met een wil om God te dienen. Zo niet de dieren, zij hebben geen ziel (te verliezen) en God dienen is er bij hen niet bij.

"Spreken" en verhalen schrijven zijn bezigheden die driftig worden beoefend. Belangrijk in het leven is "spreken" op wat voor een manier dan ook, maar het geschreven woord mag er ook zijn. Hele bibliotheken zijn volgeschreven en heel veel boeken worden ook uitgegeven. 
Dan denken we nog maar niet aan de stille schrijvers die hele zolders bevolken met hun geschrijf en waarvan nooit iets wordt gedrukt en waarvan we (gelukkig) nooit iets onder ogen krijgen. Dan de kranten, pakken vol, elke dag in de brievenbus. Een mens krijgt het nooit doorgelezen. In al het geschrijf is er voor elk wat wils, voor groot en klein. "Geluk" wordt aan alle kanten belicht, evenals "ongeluk". Aan onderwerpen geen gebrek, vooral in tijden van oorlog worden we overstelpt met verhalen en woorden. 

Het opschrift:" het verhaal dat wij meedragen" is vaak geen geschreven verhaal, geen boek dat je kunt oppakken. Het staat niet in de boekenkast. Nee, dit verhaal ligt op de bodem van onze ziel. De woorden ademen heel sterk een sfeer van drama, droefenis, verdriet, of nog erger: sterven en dood. Het woord "meedragen" zegt dit al. "Meedragen" kan een last betekenen en in veel gevallen is dat ook zo. Voorbeelden te over. De lijst zou te lang worden, maar hier zijn er een paar: Sterven van een geliefde, verlies van een kind, gebrokenheid in een gezin om welke reden dan ook. Ongeneeslijke ziekte. Lichamelijk of geestelijke handicap. En ga zo maar door. 

"Het verhaal dat wij meedragen" is van zeer persoonlijke aard. Het slaat meestal niet op: oorlogen, natuurrampen, vluchtelingenproblemen, droogten of watersnoden. Nee, het treft ons in het diepst van onze ziel en we slaan het daar ook op. We dragen het met ons mee, alleen. Als het zeulen wordt of torsen, of als we letterlijk gebukt gaan onder deze last en we wellicht kunnen bezwijken, dan is iemand nodig die ons helpt meedragen. 

Er is nog een verhaal dat wij dag in, dag uit, ons hele leven, met ons meedragen. Het is niet een verhaal van sjouwen, torsen en zeulen. Nee, het is het Kerstverhaal, ons reeds als kinderen verteld. Een verhaal om nooit te vergeten. Een verhaal om mee te dragen, om op terug te vallen in tijden van nood, om van te genieten als het ons echt aanspreekt. Een verhaal om te geloven en te vieren. Het verhaal van de geboorte van de verlosser Jezus Christus, Zoon van God. Geboren om ons te helpen de lasten te dragen en te verlossen van de zonden waarmee wij behept zijn. Geboren om ons nieuw leven te geven, waardoor wij het vaak moeilijke leven het hoofd kunnen bieden. Geboren voor ons om het uit te jubelen: Ere zij God in de hoge, vrede op aarde, in de mensen een welbehagen. 

Einde verhaal. 

Annie van Baardewijk (A1.5.3v), december 2001

 

Kerstverhaal voor de kleintjes.

Om voor te lezen.

Joop van BaardewijkWillie en Wollie zijn wolken. Geen gewone wolken maar stapelwolken. Ze kunnen erg groot worden. De wolken zijn van onderen wel eens erg donker. Ze kunnen verschrikkelijke grote hagelstenen maken, soms met onweer. Boven in de wolken kan het erg stormen, dan zie je grote dikke witte bergen over elkaar tuimelen. Willie en Wollie houden van storm. Ze houden van donderbuien met veel regen en hagel. En als ze het erg naar hun zin hebben, gaan ze daarbij lekker bliksemen, met harde donderslagen.
Ze worden vaak voortgeblazen door Jetje. Jetje is een heel harde wind. Ze begint in Canada, bij de grote bergen. Daar is ze geboren, haar ouders wonen er nog. Als Jetje voorbij die grote bergen komt, zwaait ze naar haar papa en mama en die geven haar lachend een zetje, zodat ze weer in volle vaart naar Europa stormt. Heel vaak naar Nederland. Onderweg ziet Jetje haar vriendjes Willie en Wollie. Ze vraagt moet ik jullie nog ergens heen blazen? Nou dat willen Willie en Wollie altijd wel.
Willie en Wollie zijn dikwijls ondeugend. Ze hebben het grootste plezier als ze een boot of een aantal mensen of kinderen kunnen plagen door heel hard te waaien. En bij dat blazen hebben ze Jetje nodig.
Ze gaan graag naar Zeeland. Als ze er heen willen, vragen ze aan Jetje, toe geef ons nog eens een zetje naar Terneuzen.
Willie en Wollie kunnen niet zo goed opschieten met Dully. Dully is een heel lief mooi-weer-wolkje. Ze hangt heerlijk te hangen in de zon en dan gaat ze het liefs een dutje doen. De zon is haar vriendje.
Ze is vaak boos op Willie en Wollie die zijn altijd druk bezig met stormen en keten. Willie en Wollie willen ook altijd gekkigheid uithalen. Als Willie en Wollie in de buurt zijn kan ze nooit eens lekker dutten. Bovendien moet ze ook een beetje opletten, want Willie en Wollie zien geen gevaar. Ze kunnen wel eens te ver gaan met plagen. Dully houdt van de kinderen in Terneuzen.
En als ze erg boos is omdat Willie en Wollie de kinderen in Terneuzen plagen dan vraagt ze de zon om het heel warm te laten worden. Ja en dan moeten Willie en Wollie snel wegvluchten, want van de warmte, brrr daar houden ze niet van.
Vandaag zweven ze heerlijk naar Terneuzen, want daar vieren de kinderen Kerstfeest, in de Goede-Herderkerk, dat heeft Jetje verteld. Het is heerlijk weer, Jetje doet haar best, het stormt lekker. Af een toe een regenbui, heerlijk.
Wat is eigenlijk Kerstfeest vragen de vriendjes aan Dully. Oh weten jullie dat niet eens? De mensen op aarde vieren dat Jezus geboren is, 2000 jaar geleden.
Nou én, zegt Wollie.
Nou Jezus brengt de vrede op aarde en dat is heel bijzonder. Jullie begrijpen dat toch niet, want jullie willen alleen maar plagen. Kerstfeest is juist om heel vriendelijk te zijn.
Ja maar zegt Willie, wij plagen nooit gemeen. Nou soms wel, zegt Dully, en dat mag niet. Toen Jezus groot werd heeft Hij gezegd dat de mensen allemaal vriendelijk met elkaar moeten leven. En Jezus wil ons daarbij helpen, dat kan Hij heel goed want Hij is de zoon van God.
Wie is God, vragen de vriendjes. God heeft alles gemaakt, ook jullie. En hij wil dat de mensen elkaar niet plagen. God wil een heel mooie wereld.
Vindt Hij stormen en regen ook mooi. Ja dat vindt Hij ook mooi. Gelukkig, zeiden de vriendjes. Denk er om dat jullie de kinderen in de Goede-Herderkerk niet gaan plagen. Dat wil de Jezus niet
Nee Dully, zeiden Willie en Wollie heel gehoorzaam. Daarbij keken ze elkaar aan, alsof ze zeggen wilden nou dat wordt een mooie dag…voor ons.
Daar gaan ze op weg. Jetje blaast wat ze kan. Kijk daar staat de kerk. Zullen we even een paar bliksemslagen laten horen? Dat is leuk. De kinderen kruipen dan meteen onder de banken.
Ik denk dat dat gemeen plagen is, zegt Willie. En dat mag niet van Jezus.
Ja dat is waar, we gaan gewoon even kijken.
Van wat ze daar horen worden ze wel even stil.
Prachtig zingen de kinderen van de Here Jezus. Hoor je dat, Wollie, ze zingen van Jezus, van een kindje in de kribbe en herders die op hun knieën het kleine kindje aanbidden. Luister, ze zingen van de vrede op aarde. Mooi hé.
Willie en Wollie vinden het zo mooi dat ze stil in de lucht blijven hangen. Ze durven nu niet te plagen.
Plotseling horen ze muziek. Luister Willie, ze slaan op de trommels. Wollie keek naar Willie en de pret kwam weer te voorschijn.
Wie kan het beste trommelen? Wij natuurlijk, zei Willie. En ze laten het hagelen op het dak van de Goede-Herder kerk. Grote hagelstenen maakten ze. Het klinkt echt als trommel muziek.
Mooi klinkt dat hè, zei Wollie. De kinderen vinden het ook mooi. Kijk maar. Ze worden er stil van.
Kijk daar komt Dully. Zijn jullie nu toch weer aan het plagen? Ik vind het echt gemeen.
Nee, nee, echt niet Dully, wij maken met de kinderen muziek. Luister maar. Kijk maar naar binnen.
Dully kijkt. Ze weet niet wat ze ervan denken moet. Nou vooruit dan maar, ik zal niet de zon vragen, jullie weg te jagen. Als jullie maar ophouden met trommelen als de kinderen naar buiten komen. Want straks krijgen de kinderen allemaal een boekje, en die boekjes houden niet van trommelen.
Dat beloven Willie en Wollie.

Joop van Baardewijk (A1.5.3), december 2001

 

 

Catharina Mulder (Kaat Mossel)

Jan van BaardewijkJa, een bekende naam, hoorde ik iemand zeggen, maar waarom ze nu zo bijzonder was? Sommigen kennen haar misschien min of meer uit de vaderlandse geschiedenis1. Wie, zoals ik, op de lagere school een onderwijzer trof die spannend over haar kon vertellen, zal haar nooit meer vergeten. En, hier nadert de climax, wie van mijn klasgenoten kon mij nazeggen ‘Kaat Mossel, dat is mijn voormoeder’? Ze keken me ongelovig aan, maar mijn vader had het mij zelf verteld. Hij had het wel niet zwart op wit maar ik hoefde er niet aan te twijfelen: wij zijn nakomelingen van Kaat Mossel!

Toen mijn interesse voor de genealogie begon te groeien wilde ik toch wel graag een bevestiging zien. Een bezoek aan het Gemeente Archief Rotterdam bleek voldoende.

Catharina Mulder werd geboren te Rotterdam op 25 maart 1723 als dochter van Willem Jansz. Mulder en Caetje Wouters van de Wapen. Op 1 juni 1745 trouwde zij met Pieter van Wijngaarden. Na diens overlijden, in 1764, trad zij in het huwelijk met Leendert de Lange. Zij overleed te Rotterdam op 29 juni 1798. Uit haar eerste huwelijk werden negen kinderen geboren, onder wie dochter Trijntje. Deze is één van de voormoeders van mijn grootmoeder Johanna Wareman.

Kaat Mossel, zoals zij werd genoemd, leefde in de tijd van de patriotten en prinsgezinden. Zij was vurig prinsgezind en heeft door haar optreden geschiedenis gemaakt. Haar woning lag in een Rotterdamse volksbuurt ‘Agter ‘t Klooster’ en ze was dan ook een echt volkstype. Toch bekleedde zij een officieel stadsambt n.l. dat van ‘Keurvrouw der mosselen’.

Blijkbaar was Kaat niet ‘op haar mondje gevallen’ en ze liet op haar manier duidelijk merken aan welke kant zij stond. Bij de patriotten, de ‘kezen’, stond ze bekend als één van de ergste van het z.g.n. ‘Oranjevee’. De 1e september 1784 werd ze gearresteerd in opdracht van de Staten van Holland. Dat gebeurde naar aanleiding van een demonstratie van het ‘Oranjevee’ tegen de patriotse vrijkorporisten. Daarbij werden niet alleen oranjeliederen gezongen maar ook scheldwoorden gebruikt. Kaat Mossel werd beschuldigd van ‘oproerige en rustverstorende misdrijven’ zoals ‘het schreeuwen van Hoezee, Oranje boven en dergelijke soort van luidruchtigheden’. Zo kwam Kaat in de kelder van het Rotterdamse stadhuis terecht, waar zij achter de tralies werd gezet. Voor de Schepenbank van Rotterdam gedaagd werd de eis gesteld: brandmerken en geselen en vervolgens 10 jaar tuchthuisstraf. Door tussenkomst van advocaat mr. Willem Bilderdijk werd zij echter vrijgesproken. Dat betekende niet dat zij ook werd vrijgelaten want de openbare aanklager ging in hoger beroep bij het Hof van Holland. En zo werd Catharina Mulder overgebracht naar de Gevangenpoort te Den Haag. Het proces tegen haar was nog niet ten einde toen zij, na de intocht van de Pruisen, in vrijheid werd gesteld. Dat gebeurde op 27 september 1787. Zij heeft dus een periode van ruim drie jaar in ‘voorlopige hechtenis’ doorgebracht. Een schadevergoeding van 3240 gulden en 90 cent kon dat onrecht niet ongedaan maken.

1. Er is veel over Kaat Mossel geschreven, maar niet alles lijkt betrouwbaar. Haar vijanden schreven schimpschriften en tekenden spotprenten voorzien van insinuerende onderschriften. In het ‘Rotterdamsche Jaarboekje’ van 1890 schrijft G. van Rijn een uitvoerig artikel over haar, gesteund door veel officiële stukken. Van Rijn was secretaris van de gemeentebibliotheek.

Jan van Baardewijk (A1.2.2), augustus 2001

Over Kaat Mossel is inmiddels veel gepubliceerd op deze website, klik  hier voor meer.

 

 

Dagboeken in de familie.

Hugo van BaardewijkKort geleden waren we bij de zoon van van oom Frans van Baardewijk op bezoek, ze wonen in Rotterdam.

We hebben daar inzage gekregen in de dagboeken die oom Frans in de jaren 1940-1945 heeft geschreven.
Het was indrukwekkend om te lezen hoe nauwkeurig, dag voor dag, oom Frans allerlei geschiedenis heeft beschreven.
We vonden een uitgebreide foto-serie van het bombardement op Rotterdam in het 1ste deel, met een beschrijving uiteraard. Verder waren er veel krantenknipsels bijgevoegd waarin de gebeurtenissen nog eens extra werden aangeduid.
Ook vonden we een uitgebreid verhaal over de bommen die in de Bergstraat waren gevallen, waarbij opa Adrianus is overleden. Er stonden wel enkele verhalen in over de familie, zoals b.v. de ernstige ziekte van zijn vrouw (tante Ans) in de jaren '39 en '40. Ook over het overlijden van zijn vader Adrianus. Maar voor de rest was het meer gericht op de tweede wereldoorlog.

Zo, al lezend, heb ik toch veel respect gekregen voor de ijver en nauwkeurigheid van de zonen van Adrianus.

Mijn vader Jan Pieter, heeft ook een dagboek geschreven in de oorlogstijd met ook veel informatie over de oorlog, niet zo uitgebreid als oom Frans dat heeft gedaan. Mijn vader schreef wat meer over kerk en gezin.

Enkele fragmenten en foto's uit het dagboek van Frans van Baardewijk:

" ..... na afloop van dit vreeselijke bombardement vluchten de menschen vanuit de stad naar de randgemeenten. Mijn vrouw was inmiddels naar huis gevlucht. Vrouwen en kinderen, grijsaards en gebrekkigen strompelden, zo vlug hun voeten hen dragen konden zo ver mogelijk van de brandende stad. Kwistig was ook gestrooid met brandbommen. Niemand liet zich ophouden. Karavanen van menschen met de angst op hun gezicht, vluchten voorbij ons huis ....."

" .... ook mijn ouderlijk huis werd getroffen. Een voltreffer kwam terecht op het huis daarnaast en een groot deel van een brisantbom kwam midden in de achterkamer terecht. M'n oude vader, m'n broer Cor en Gerard met m'n zuster Bets met hun verloofden waren in huis. Tijdens het bombardement had men de toevlucht genomen op de trap en de gang, alleen m'n vader zat op een stoel bij de ingang van de huiskamerdeur waar hij een gewelddadige dood vond ...."

Hugo van Baardewijk (A1.5.2), december 2000

Klik op een foto voor een grotere afbeelding.






Coolsingel (Passage)






foto genomen vanaf de Matthenesserbrug






Van Oldebarneveldstraat (rechts zijvleugel Coolsingel ziekenhuis)