|
Gedichten
Mijn oom Cor 'k zie hem nog
staan Behalve zijn zussen, tantes en
nichten Dat was de Bijbel en elke dag Hij waarschuwde ons voor het
slechte pad Altijd klaagde hij over zijn
maag De zuster waste hem elke dag Nee, 'k wil oom Cor niet
belachelijk maken Op hoge leeftijd ging hij
hopelijk heen Mijn oom Cor ' k zie hem nog
staan Lenny de Bruijn (A1.7m.3) september 2004
Rotterdam Rotterdam Rotterdam Willem van Baardewijk (A1.8.6)
Ode aan mijn M O E D E R Al jaren is ze niet meer onder ons op deze aarde. Maar 't beeld dat onuitwisbaar in mijn geest geschreven is maakt dat ik haar soms heel erg mis. Bescheidenheid, soms zelfs wat ver gedreven zie ik steeds als een kenmerk van haar leven. Verontwaardigd over onrecht; een helder beeld van goed en slecht ontlokt m'een eretitel die echt bij haar past: "Een vrouwe van stavast" Haar humor, haar begrip, haar liefde en geduld, 't is alles in de loop der jaren wel enigszins verhuld, maar 't blijft in mij een schat van grote waarde. Adrianus van Baardewijk (A1.2.5) juli 2001 GEDICHT voor de ouders van wie geen belijdenis deden. Elk jaar weer hoor je nieuwe namen noemen, zie je gezichten, verwachtingsvol en blij; ik ben jaloers, ik kan het niet verbloemen, die naar ons heet, die is er weer niet bij. En vroeger...puur en aanstekelijk heeft ze geloofd, ze praatte onbevangen over Hem, de goede Herder, maar later was het vuur volkomen uitgedoofd, en ze gleed weg van Hem, steeds verder, verder. Ze is de Heer kwijt en het schijnt haar niet te raken, om haar niet te verliezen, weet je dat je zwijgen moet, maar in de nacht lig je te peinzen en te waken, en niemand kent de pijn die diep van binnen woedt. Daar staan ze, vooraan in de kerk, een hele rij, en iedereen hoor je het ja-woord geven; maar die wij lieten dopen, is er weer niet bij, wat moeilijk om dit steeds weer te beleven. Ach Heer, laat zij zich alstublieft gewonnen geven, en als ze onwillig is en, wie weet, misschien verward, ontferm U dan, draag haar met Uw beschermende handen, tot aan Uw grote en liefdevolle hart. Kees van Baardewijk (A1.8.2)
Het maakt je zo verlegen en zo radeloos:
HET KLEIN HEELAL VAN HET GEDICHT ... Het klein heelal van het gedicht:De aanvang is een zacht ontroeren, Een ruimte, die zich in wil snoeren, Beklemming reikend naar het licht. Dan toonen woorden hun gezicht En stamelende stemmen voeren In 't klein heelal van het gedicht. O hart, vind hier uw evenwicht! Als duisternissen op u loeren, Laat van Gods goedheid u beroeren, Die sluit voor u den afgrond dicht Om 't klein heelal van 't gedicht. H.W.J.M. Keuls (1883-1968)
de straat waar ik geboren ben Tollenstraat daar bij die toren, ben ik geboren de pratende straten, zijn nu verloren en ik, ik ben nieuw in de buurt van mijn dromen in de buurt van mijn kind waar ik mezelf steeds vind Tollenstraat de toren is weg geen schaduw geen bomen ik peins over straten ik voel mij verlaten en ben als het kind van de stad die zichzelf steeds vind Willem van Baardewijk (A1.8.6)
dank u voor de mensen om mij heen, voor kleine dingen die ik mocht beleven, waardoor het licht weer door het duister scheen! Dank U voor de zon en voor de bloemen, de weelde van de schepping kon niet op, voor zoveel goeds, te veel om op te noemen, waarin ik ervaren mocht, Uw harteklop! Ik dank U voor de gegeven krachten, U bent er ook als ik niet aan U denk. Zo vaak zit U vergeefs op mij te wachten. Vergeef mij Heer, heb dank voor dit geschenk! Dank U, dat ik mijn zorgen U mag zeggen, omdat Gij zelf wil waken in de nacht, als ik mij rustig neer mag leggen. Dank U hiervoor, aan U de lof gebracht! Overschie, 1994. Uit de -niet uitgegeven- verhalen- en gedichten-bundels van Gerard van Baardewijk (A1.12)
dat hij de spanning van winst en ondergang van roem en afgang ook wel in zich voelde woeden als hij naar de samenhang van stukken en pionnen aan het zoeken was en vechten moest om nog remise te behouden? misschien leek hij op mij en maakte hij dezelfde fouten wat in mijn herinnering onbestaanbaar was als zijn partijenboekje niet was weggedaan dan was ik lezend nog eens naar hem toegegaan en zou de tijd voor jaren hebben stilgestaan Jan van Baardewijk (A1.5.3.1)
Een toren uit het grijs, ziet toe, rondom die kleinheid, hoogverheven. De ouderdom, en grijsheid leven voort, in kleine huisjes, waar het grootse wordt gesmoord. De molens hoog, met massa's steen bijeen gehou'en vertellen van de noeste vlijt, van armoe, drank en andere beroerdigheid en hoe gebogen dragers hun zware zakken moesten sjouwen. Als jongen mocht ik langs die Lange Haven draven nu loop ik langzaam stap voor stap, over welvende bruggen, die de stad zijn vormen gaven. Nu houd ik van die oude stad, gelegen rond die Korte-, Lange Haven, "Het" kwam, het werd mijn lievelings gat. Joop van Baardewijk (A1.5.3) ![]()
|