Gedichten

 

O O M  C O R

Mijn oom Cor 'k zie hem nog staan
Als 'k denk aan vroegere tijden
Een onzekere man in een net kostuum
Hij was niet te benijden.

Behalve zijn zussen, tantes en nichten
Speelden vrouwen in zijn leven geen rol
Ook taalde hij niet naar sterke drank
En van slechts één boek was hij vol

Dat was de Bijbel en elke dag
Las hij de moeilijke taal
Als geen ander leefde hij ernaar
Dat maakte hem juist zo speciaal

Hij waarschuwde ons voor het slechte pad
En zag het als zijn taak
Ons te behoeden voor de invloed van
Het wereldse vermaak

Altijd klaagde hij over zijn maag
Dronk slappe koffie en thee
Hij belandde in het ziekenhuis
Dat viel voor hem niet mee

De zuster waste hem elke dag
Dat heeft hem erg geraakt
Hij wist niet waar hij kijken moest
Nog nooit zag een vrouw hem naakt

Nee, 'k wil oom Cor niet belachelijk maken
Dat heeft hij niet verdiend
Hij hoorde bij mijn jeugd en ik mocht hem graag
Voor mij was hij een vriend

Op hoge leeftijd ging hij hopelijk heen
Naar waar hij zo graag wilde zijn
Een plek waar geen plaats is voor eenzaamheid
Voor angst en wanhoop of pijn

Mijn oom Cor ' k zie hem nog staan
Als 'k denk aan vroegere tijden
Een onzekere man in een net kostuum
Misschien was hij toch te benijden

Lenny de Bruijn (A1.7m.3)

september 2004


Rotterdam
is als een schatje

soms een stad
dan weer een stadje
een aai en een kus
een touw met een lus

Rotterdam
is als een schatje
soms een stad
dan weer een stadje
vaak veel herrie als de kolere
en blij als je hem kan smeren

Rotterdam
he wat had je
vaak is het helemaal geen schatje
't kan soms stinken als de tyfus
vaak veel meer als het me liefis
o wat moet ik van haar soms balen
ik wil over verre heuvels dwalen

Rotterdam
is als een schatje
soms een stad
dan weer een stadje
in mijn hart is zij geboren
vaak ben ik in haar verloren

Willem van Baardewijk (A1.8.6)
Voor Radio Rijnmond uitgesproken op 24 juni 2000

 

 


Ode aan mijn

M O E D E R

Al jaren is ze niet meer onder ons
op deze aarde.
Maar 't beeld dat onuitwisbaar in mijn geest geschreven is
maakt dat ik haar soms heel erg mis.

Bescheidenheid, soms zelfs wat ver gedreven
zie ik steeds als een kenmerk van haar leven.

Verontwaardigd over onrecht;
een helder beeld van goed en slecht
ontlokt m'een eretitel die echt bij haar past:
"Een vrouwe van stavast"

Haar humor, haar begrip, haar liefde en geduld,
't is alles in de loop der jaren wel
enigszins verhuld,
maar 't blijft in mij
een schat van grote waarde.


Adrianus van Baardewijk (A1.2.5)

juli 2001



GEDICHT
voor de ouders van wie geen belijdenis deden.

Elk jaar weer hoor je nieuwe namen noemen,
zie je gezichten, verwachtingsvol en blij;
ik ben jaloers, ik kan het niet verbloemen,
die naar ons heet, die is er weer niet bij.

En vroeger...puur en aanstekelijk heeft ze geloofd,
ze praatte onbevangen over Hem, de goede Herder,
maar later was het vuur volkomen uitgedoofd,
en ze gleed weg van Hem, steeds verder, verder.

Ze is de Heer kwijt en het schijnt haar niet te raken,
om haar niet te verliezen, weet je dat je zwijgen moet,
maar in de nacht lig je te peinzen en te waken,
en niemand kent de pijn die diep van binnen woedt.

Daar staan ze, vooraan in de kerk, een hele rij,
en iedereen hoor je het ja-woord geven;
maar die wij lieten dopen, is er weer niet bij,
wat moeilijk om dit steeds weer te beleven.

Ach Heer, laat zij zich alstublieft gewonnen geven,
en als ze onwillig is en, wie weet, misschien verward,
ontferm U dan, draag haar met Uw beschermende handen,
tot aan Uw grote en liefdevolle hart.

Kees van Baardewijk (A1.8.2)
 



D e D r o o m

Ik zag mijn vader in de deuropening staan
van het vertrek waar we bezoek ontvingen

"Ik wil niet storen; ik kom niet binnen,
'k Moet zo meteen weer verder gaan "
Hij keek mij aan en zei:
"Kom je straks een potje schaken,
thuis bij mij ?"

Ik zag de hemel open

We speelden schaak
m'n Pa en ik
op een gouden bord
met zilveren en bronzen stukken

Totdat zijn beeld langzaam vervaagde
in altijd blijvende herinnering

Zoals gewoonlijk
won hij de partij


Aad van Baardewijk (A1.2.5)

 



GESTORVEN KIND

Het maakt je zo verlegen en zo radeloos:
zo'n dood, stil kind, het is er wel en niet,
niemand kan zeggen wat je eigenlijk ziet,
het is niet meer van hier, zo klein en sprakeloos.
Als nu toch eens de Heiland kwam en sprak,
en het, net als Jairus' dochter, liet herleven,
en dat het kind, na haast onmerkbaar beven,
dan de ogen opsloeg en naar Hem de hand uitstak.

De Heiland komt: Die alles nieuw zal maken,
zal ook dit kind voor eeuwig doen ontwaken.

Kees van Baardewijk (A1.8.2)

 

HET KLEIN HEELAL VAN HET GEDICHT ...

Het klein heelal van het gedicht:
De aanvang is een zacht ontroeren,
Een ruimte, die zich in wil snoeren,
Beklemming reikend naar het licht.
Dan toonen woorden hun gezicht
En stamelende stemmen voeren
In 't klein heelal van het gedicht.

O hart, vind hier uw evenwicht!
Als duisternissen op u loeren,
Laat van Gods goedheid u beroeren,
Die sluit voor u den afgrond dicht
Om 't klein heelal van 't gedicht.

H.W.J.M. Keuls (1883-1968)



Tollenstraat
de straat waar ik geboren ben
Tollenstraat
daar bij die toren, ben ik geboren
de pratende straten, zijn nu verloren
en ik, ik ben nieuw
in de buurt van mijn dromen
in de buurt van mijn kind
waar ik mezelf steeds vind

Tollenstraat
de toren is weg
geen schaduw
geen bomen
ik peins over straten
ik voel mij verlaten
en ben als het kind
van de stad
die zichzelf steeds vind

Willem van Baardewijk (A1.8.6)

 

 

GEBED VOOR DE NACHT

Dank U voor de nacht die U hebt gegeven,
dank u voor de mensen om mij heen,
voor kleine dingen die ik mocht beleven,
waardoor het licht weer door het duister scheen!

Dank U voor de zon en voor de bloemen,
de weelde van de schepping kon niet op,
voor zoveel goeds, te veel om op te noemen,
waarin ik ervaren mocht, Uw harteklop!

Ik dank U voor de gegeven krachten,
U bent er ook als ik niet aan U denk.
Zo vaak zit U vergeefs op mij te wachten.
Vergeef mij Heer, heb dank voor dit geschenk!

Dank U, dat ik mijn zorgen U mag zeggen,
omdat Gij zelf wil waken in de nacht,
als ik mij rustig neer mag leggen.
Dank U hiervoor, aan U de lof gebracht!

Overschie, 1994.
Uit de -niet uitgegeven- verhalen- en gedichten-bundels
van Gerard van Baardewijk (A1.12)

 

 

OPA

kon ik, toen hij mij schaken leerde, ooit vermoeden
dat hij de spanning van winst en ondergang
van roem en afgang ook wel in zich voelde woeden
als hij naar de samenhang
van stukken en pionnen aan het zoeken was
en vechten moest om nog remise te behouden?

misschien leek hij op mij
en maakte hij dezelfde fouten
wat in mijn herinnering onbestaanbaar was

als zijn partijenboekje niet was weggedaan
dan was ik lezend nog eens naar hem toegegaan
en zou de tijd voor jaren hebben stilgestaan

Jan van Baardewijk (A1.5.3.1)

 

IN SCHIEDAM

In Schiedam liggen vest naast veld gebroederlijk bijeengedreven.
Een toren uit het grijs, ziet toe, rondom die kleinheid, hoogverheven.
De ouderdom, en grijsheid leven voort,
in kleine huisjes, waar het grootse wordt gesmoord.

De molens hoog, met massa's steen bijeen gehou'en
vertellen van de noeste vlijt,
van armoe, drank en andere beroerdigheid
en hoe gebogen dragers hun zware zakken moesten sjouwen.

Als jongen mocht ik langs die Lange Haven draven
nu loop ik langzaam stap voor stap,
over welvende bruggen, die de stad zijn vormen gaven.

Nu houd ik van die oude stad,
gelegen rond die Korte-, Lange Haven,
"Het" kwam, het werd mijn lievelings gat.

Joop van Baardewijk (A1.5.3)
Panorama van Schiedam (2000)

 

 

 




panorama van Schiedam